Het eerste wereldrijk Babel.

Getuigenis van Nebukadnézar:

Daniël 4: 2-5

  • Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de Allerhoogste God aan mij gedaan heeft.
  • Hoe groot zijn ZIJN tekenen! ZIJN Rijk is een eeuwige Rijk, en ZIJN Heerschappij is van geslacht tot geslacht..
  • Ik, Nebukadnézar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende,
  • zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de visioenen mijns hoofds beroerden mij.

De droom van de boom:

Daniël 4: 10-15 ( 16)

  • De visioenen nu mijns hoofds op mijn rustplaats waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was immens.
  • De boom werd groter en sterker; en zijn hoogte reikte aan de hemel, en hij werd gezien tot in de verte der ganse aarde;
  • zijn loof was schoon, en zijn vruchten waren vele, en er was spijs aan deze voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogels der hemel woonden op zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
  • Ik zag verder in de visioenen mijns hoofds, op mijn rustplaats; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemelen,
  • roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogels van zijn takken;
  • doch laat de stam met zijn wortelen in de aarde, en geklonken worden met een ijzeren en koperen band in het tedere gras der velds; en laat hem in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde./
  • ( Zijn hart worde veranderd, dat het geen mensenhart meer zij, en hem worde ene beestenhart gegeven, en laat zeven tijden over hem heengaan.)

De uitlegging van de droom door Daniël:

Daniël 4: 20-23

  • De boom, dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het ganse aardrijk gezien werd;
  • en wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijs aan zat voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en op wiens takken de vogels der hemel nestelden;
  • dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden; want uw grootheid is zo opgewassen, dat zij reikt aan den hemel, en uw heerschappij aan het einde des aardrijks.
  • Dat nu de koning een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van den hemel afkomende, die zeide: Houwt dezen boom af, en verderft hem; doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band geklonken zijnde, in het tedere gras des velds, en in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des vlelds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan;-

 

De hoogmoed van Nebukadnézar, en zijn val:

Daniël 4: 29-32

  • ..op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,
  • sprak de koning, en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!
  • Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er een stem uit den hemelen: U, o koning Nebukadnézar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u weggegaan.
  • En men zal u van de mensen verstoten worden, en uw woning zal van de beesten des velds zijn; men zal u gras te eten geven, als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen Heerschappij heeft, en dat HIJ ze geeft, aan wien HIJ wil.

Alles is door God gemaakt, mensen hebben koninkrijken tevoorschijn gebouwd. Maar God is het DIE dat toelaat. Als mensen er een zooitje van maken, dan eindigt God deze menselijke heerschappijen.

Onze huidige wereld doet maar waar ie zin in heeft. Zij zijn van God vervreemd, omdat het niet meer geloofd wordt. Maar God zal deze aarde teniet doen, als mensen hun hoogmoed niet laten varen.

Nebukadnézar kwam tot bezinning dat hij eigenlijk niets was, als God hem geen koninkrijk had gegeven.

Daniël 4: 36

Ter zelfde tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam mijn heerlijkheid mijns koninkrijk, mijn majesteit en mijn glans weder op mij; en mij raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd.

Waarom? Vers 34,35

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *