Hebt u naaste lief, zonder hen te behagen.

 

Jakobus 2: 1-10

  • Mijn broeders, hebt niet het geloof van onze Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid, met aanneming van de persoon.
  • Want zo in uw vergadering komt een man met een gouden ring aan zijn vinger, en met sierlijke kleding, en er komt ook een arme man met slechte kleding;
  • en gij zoudt aanzien de man met de sierlijke kleding, en tot hem zou zeggen: Zit hier op een voorname plaats; en zoudt zeggen tot de arme man: Sta gij hier, of zit op een plaats achterin;
  • hebt gij dan niet bij uzelf een onderscheid gemaakt, en zijt gij rechters geworden van boze overleggingen?
  • Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen van de wereld, om rijk te zijn in geloof, en erfgenamen van het Koninkrijk, hetwelk HIJ belooft heeft, die HEM liefhebben?
  • Maar gij hebt de arme oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet voor de rechter?
  • Lasteren zij niet de goede naam, die u aangeroepen is?
  • Indien gij dan de Koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, zo doet gij wel;
  • maar indien gij de persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.
  • Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, zo is hij schuldig geworden aan alle.

Galaten 1: 10/ Jakobus 4: 4

  • Want predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
  • Overspelers, weet gij niet, dat de vriendschap  der wereld een vijandschap van God is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.

Lukas 14: 12-14/ Lukas 20: 42,43/ Matthéüs 23: 27,28

  • En Hij heeft gezegd, tot hen, die Hem uitgenodigd had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broeders, noch andere goed hebbende bekenden; opdat ook deze u niet te eniger tijd uitnodigen zullen om het u weder te vergelden.
  • Maar wanneer gij een maaltijd wilt houden, zo nodigt armen, verminkten, kreupelen en blinden uit;
  • en gij zult dan gezegend worden, omdat zij niets hebben, om het u weder te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen./
  • Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groeten in het openbaar, en de eerste plaatsen in de synagogen, en in de maaltijden;
  • die onder schijn van lange gebeden, de huizen der weduwen opeten, deze zullen een zwaarder oordeel verkrijgen./
  • Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij zijt de witgekalkte graven gelijk, die aan de buitenzijde wel mooi en schoon lijken, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en van alle soorten van onreinheid.
  • Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.

 

 

 

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *