Cornelius, de hoofdman over honderd.

Handelingen 10: 1-48

vers 1-4

  • En er was een zekere man te Cesaréa, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit het Italiaanse legioen; godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God voortdurend biddende.
  • Deze zag in een visioen helder, omtrent het negende uur van de dag, een Engel van God tot hem komen, en tot hem zeggende: Cornelius!
  • En hij, de ogen op de Engel houdende, zei met grote schrik: Wat is het Heere? En de Engel zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.

vers 5,6

  • En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus.
  • Deze ligt in huis bij een Simon, een lederbewerker, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat gij doen moet.

vers 9-16

  • En op de andere dag, terwijl Cornelius reisde, en nabij de stad aankwam, klom op dat moment Petrus op het dak, om te bidden, dat was het zesde uur.
  • En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidde, viel over hem een vertrekking van zinnen.
  • En hij zag de hemel geopend, en een zeker vat tot hem neerdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en neergelaten nabij de aarde; in hetwelk waren al de viervoetige dieren van de aarde, de wilde, de kruipende dieren, en de vogels van de hemel.
  • En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet.
  • Maar Petrus antwoordde: Geenszins, HEERE! want ik heb nooit iets gegeten wat onrein of wild was.
  • En de stem geschiedde wederom ten tweede maal tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet onrein maken.
  • En dit geschiedde tot driemaal toe; en het vat werd weder opgenomen in de hemel.

[ Wat God rein gemaakt heeft, mogen mensen niet als onrein zien. De vertrekking van zinnen doelt op de heidenen, die bij Joden als onrein zijn].

 

vers 27,28

  • En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.
  • En Petrus zei tot hen: Gij weet, hoe het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen bij heidenen; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou onrein noemen, die tot God wilt komen.

[ wat gebeurde er toen Petrus het Evangelie verkondigde?]

vers 44-47

  • Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.
  • En de gelovigen, die uit de besnijdenis ( van het vlees) waren, zovelen er met Petrus waren gekomen, ontzette zich, dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd.
  • Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en ook God groot maken. Toen antwoordde Petrus:
  •  Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben, gelijk ook als wij?

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *