Uw naaste geen aanstoot geven.

Psalm 119:165 (nwv)

Wie UW wet beminnen, hebben grote vrede, en zij geven  geen aanstoot.

Markus 12:30,31

  • En gij zult de HEERE, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht.
  • En het tweede aan dit gelijk, is dit: gij zult uw naaste (in de HEERE) liefhebben gelijk als u uzelf liefhebt.

Wanneer iemand het eerste grote gebod in acht neemt, neemt degene ook het tweede gebod in acht.

Wie zijn naaste in de HEERE, een aanstoot geeft, dan verloochend zo iemand het eerste gebod.

Jezus Christus heeft Zelf Zijn discipelen uitgekozen, maar toch keurde Hij één van Zijn discipelen af, omdat deze discipel Hem een aanstoot gaf, omtrent het bedenken van aardse dingen.- Matt.16:33

Johannes 13:34,35/ Filippenzen 1:9-11

  • Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkaar liefhebt.
  • Hieraan zullen de buitenstanders bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkaar./
  • En dit vraag ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig wordt in erkentenis en alle gevoelen; opdat gij beproeft de dingen, die daaraan verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus; vervuld met vruchten van gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God.

Romeinen 14:20-23

  • Verbreek het werk van God niet omtrent het voedsel. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad voor de mens, die met aanstoot eet.
  • Het is goed om geen vlees te eten, ook geen wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is.
  • Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelf voor God. Zalig is hij, die zichzelf niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.
  • Maar wie twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.

Romeinen 14:13

  • Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk dat gij uw broeder geen aanstoot of ergernis geeft.

Matthéüs 18:6 (nwv)

Zo wie een van de minste broeders, die in Mij gelooft, ergert, het ware hem beter dat hij niet geboren was, en dat hem een molensteen om zijn nek gebonden werd, en in de diepte van de zee geworpen werd.

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *