Zaaien en oogsten.

 

Wanneer men zaad zaait, dan moet men wachten tot de oogst om te oogsten. Het is onmogelijk dat men na het zaaien gelijk kan oogsten. Logisch toch?

Als christen hebben wij de opdracht om te zaaien, oftewel, te verkondigen. Wij zijn dan Gods arbeiders van het Evangelie.

De juiste manier om zaad te zaaien is, het in de volle grond te zaaien. Niet tussen de rotsen, of op een harde weg. Ook niet tussen onkruid.( Even voor de duidelijkheid, dit is niet de uitlegging zoals Jezus dat gedaan heeft?)

Degenen die geloof stelt in Jezus Christus, doen ook wat Hij geboden heeft (Matt.28:19;Marc.16:15), om het Evangelie te zaaien onder zondige mensen. En wanneer zij het aannemen, en daarin groeien, zullen op hun beurt ook gaan zaaien.

Wie de geboden van Jezus Christus niet aanneemt, om te verkondigen / zaaien, zullen teleurgesteld worden op de laatste dag, als Jezus hen niet zal herkennen (Matt.7:21-23), als Zijn medearbeiders van God.

Romeinen 10:13-16

  • Want een ieder die de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal zalig worden.
  • Hoe zullen zij dan HEM aanroepen, in Welke zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in HEM geloven, van Welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hen predikt?
  • En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten van degenen die het goede verkondigen!
  • Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest, want Jesaja heeft geprofeteerd: HEERE, wie heeft onze prediking geloofd?

Vers 15: En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?

Wie geloofd, wordt gezonden (tenminste als men kan horen), door Jezus Christus. [ Vergelijk 2 Timothéüs 4: 3,4]

Het geestelijke onderscheiden van het zaaien, groeien en oogsten:

1 Korinthe 3:1-9

  • En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijke (in de Geest), maar als tot vleselijke (wandelende in het vlees), als tot jonge kinderen in Christus.
  • Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs, want gij verdraagde de vaste spijs niet, ja, gij verdraagt het nu ook niet, want gij zijt nog vleselijk. Want terwijl onder u nog nijd is en twist en tweedracht, zijt gij dan niet vleselijk bezig, en wandelt gij dan niet naar de mens?
  • Want als de één zegt: ik ben van Paulus, en een ander zegt: ik ben van Appolos, zijt gij dan niet vleselijk bezig?
  • Wie is dan Paulus, en wie is dan Appolos, anders dan dienaren door welke gij geloofd hebt, en dat , gelijk de HEERE aan een ieder gegeven heeft?
  • Ik heb geplant, Appolos heeft nat gemaakt, maar God heeft het wasdom gegeven.
  • Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die nat maakt, maar God DIE de wasdom geeft.
  • En wie plant en die nat maakt, zijn één, maar een ieder zal zijn loon ontvangen naar zijne arbeid.
  • Want wij zijn Gods medearbeiders, Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *